Feedback

Willem Hendrik Gispen

07-12-1890 - 10-05-1981

W.H. Gispen was een van de belangrijkste figuren uit het Rotterdamse culturele leven en pleitbezorger van het Nieuwe Bouwen. Hij bevond zich in de voorhoede van ontwerpers die experimenteerden met moderne verlichting. Met zijn opvattingen over esthetiek en machinale productie sloot hij aan bij de Bauhaus-ideeën over de eenheid van kunst en technologie.

Willem Hendrik Gispen (1890-1981) studeerde bouwkunde aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, maar stopte met zijn opleiding na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Na een paar betrekkingen bij architectenbureaus, kocht Gispen in 1916 een kleine siersmederij aan de Coolsingel. Daar maakte hij naam met zijn kunstsmeedwerk; in 1919 kreeg hij van architect Henri Evers opdracht de lantarens en radiatorkasten voor het Rotterdamse stadhuis te maken. Het was de eerste van een hele reeks orders voor belangrijke Rotterdamse gebouwen.

In 1920 richtte Gispen, met onder meer zijn voormalige studiegenoot Leen van der Vlugt, Opbouw op, de spreekbuis van de Nieuwe Zakelijkheid. In de statuten stond de samenhang tussen architectuur en aanverwante kunsten voorop. Contacten binnen deze kunstenaarsvereniging leverden behalve ideeën en inspiratie nieuwe opdrachten op. Ook zijn lidmaatschap van de Rotterdamsche Kring was in dat opzicht van belang: hij leerde er de notabelen van Rotterdam kennen. Zijn uitgebreide netwerk, én het economisch gunstige tij vormden de voedingsbodem voor een reeks van belangrijke opdrachten voor het inrichten van nieuwe gebouwen met lampen en meubels.

Al tijdens zijn studie was Gispen geraakt door de filosofie van de Arts and Crafts-beweging in Engeland, met zijn integrale ontwerpbenadering van kunstnijverheid, interieurkunst en bouwkunst. Ook hij voelde een sterke affiniteit met het materiaal en had grote waardering voor ambachtelijke schoonheid en vakmanschap. Halverwege de jaren twintig liet hij de individuele expressie van de Arts and Crafts achter zich: hij begon machinaal te produceren. Gispen schreef over zichzelf: "Hij onderschat geenszins de waarde van het handwerk als middel tot meer directe persoonlijke kunstuiting, doch voelt zich sterk aangetrokken tot het moderne probleem van de aesthetische vormgeving der langs machinalen weg voortgebrachte producten." [Uit: Het sierend metaal..]. Daarmee sloot hij aan bij de Bauhaus-ideeën over de eenheid van kunst en technologie.

Gispen bevond zich in de voorhoede van ontwerpers die experimenteerden met moderne verlichting. Al in de jaren twintig stelde hij zijn lampontwerpen samen uit zuiver geometrische vormen, zoals door moderne ontwepers werd gepropageerd. Al vanaf 1923 werd de Gisolamp seriematig geproduceerd. In 1927 leverde Gispen Gisolampen voor de modelwoning van J. J. P. Oud op de Weissenhofsiedlung in Stuttgart. Hier maakte hij voor het eerst kennis met de buisstoelen van Marcel Breuer en Mies van der Rohe. Terug in Nederland begon Gispen zelf te experimenteren met buismeubelen. Vanaf 1928 nam ook de productie van stalen buismeubelen een aanvang.

Typerend voor het interbellum is de diversiteit aan stijlen in zowel architectuur als design. Gispen ontwierp niet alleen voor moderne gebouwen, maar ook voor traditionele baksteenarchitectuur. Hij werkte aan interieurs voor architecten als Evers, Kropholler, Mertens en Van der Steur. Het waren wel steeds spraakmakende gebouwen die de (vak)pers haalden. Binnen dit brede spectrum aan stijlen werden veel totaalkunstwerken gerealiseerd. Het Rotterdamse stadhuis is een mooi voorbeeld van zo'n Gesammtkunstwerk, met aan de moderne zijde van het spectrum de Van Nelle fabriek en het Van der Leeuwhuis. Het zijn toonzalen van moderne architectuur, kunst, interieur en kunstnijverheid.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze ontwerper.

Zoeken